Dit interview is gekopiëerd van een oeroude website van Jan Doumen. Met de huidige browsers voor mij persoonlijk slecht leesbaar door de regelbreedte en de vormgeving. Daarom heb ik het hier herplaatst.
Verder wat de lamellen betreft: wij noemen dat in Nederland ‘tongen’. En ‘nefast’ is te omschrijven als ‘funest’

Louis Spagna : bezeten van diatonische accordeons

Louis Spagna in 1988 temidden van zijn groep ‘Rue Du Village’ in de oorspronkelijke bezetting op ‘la fete du coucou a Polleur’. V.l.n.r. Maud Vanderheyden, Louis’ vrouw Aline, Louis zelf, Ivo Lemahieu en Bernard Vanderheyden.
  • Louis Spagna in 1988 temidden van zijn groep ‘Rue Du Village’ in de oorspronkelijke bezetting op ‘la fete du coucou a Polleur’. V.l.n.r. Maud Vanderheyden, Louis’ vrouw Aline, Louis zelf, Ivo Lemahieu en Bernard Vanderheyden.
Foto: Jean Van Cottom

Tot voor een paar jaar waren diatonische accordeons mij volslagen onbekend. Het is door een ex-collega dat ik met het wonderlijke instrument in contact kwam. Die collega speelde een paar jaar geleden, op een vrijpodium, een paar deuntjes op een houten kastje. De klank, de weemoedige muziek, het beeld van de man met een paardenstaart en een ambachtelijk instrument op de schoot, ik waande mij 100 jaar terug op een schip vol zeelieden. Het instrument dat werd bespeeld was van Belgische makelij en, zoals later bleek, zeldzaam. De klank was warm en zacht, het uiterlijk van het instrument mysterieus eenvoudig.

1998
door Jan Doumen

Nu, een paar jaar later, ben ik er eindelijk toe gekomen om een bezoek te brengen aan één van de grote bezielers achter het project dat er toe leidde dat deze instrumenten werden gebouwd: Louis Spagna.
 


 

De hoofdweg van Ceroux-Mousty
  • De hoofdweg van Ceroux-Mousty
Foto: Google Streetview

Ceroux-Mousty, 9 juli 1998.
Het is al vrij laat op de avond als we (*), na wat verloren rijden langs allerhande boerenwegjes, bij het huis van Louis Spagna aanbelanden. Een gerestaureerd oud gebouw, ingericht in een vrij typisch Ardeense stijl. We werden hartelijk verwelkomd en nog voor we goed en wel aan tafel zaten, werd er al koffie en bier geserveerd.

Ik stel mezelf voor en vertel dat ik mij 2.5 jaar geleden een diatonisch accordeon heb aangeschaft. Alsof het de evidentie zelve is, vraagt hij of het een Castagnari is…
Het is het beste van diegene die in grote oplagen wordt gemaakt. Maar het hangt wel af van het model. Er zijn er die zeer goed zijn, maar vooral de kleinere exemplaren zitten op het randje. Tijdens reparaties is het mij opgevallen dat men teveel mogelijkheden wil proppen in het beperkte volume. Zo wil men meerdere lamellen, dikwijls nog met een octaaf erbij. Dit maakt dat in veel gevallen de lamellen mekaar raken, en zelfs indien dit niet gebeurt heeft de lucht rond de lamellen toch nog niet de ruimte die ze nodig heeft. Dit veroorzaakt dikwijls verschillen in toonhoogte, wat spijtig is, want voor de rest zijn het instrumenten van zeer goede kwaliteit.

Hoe zijn jullie er toe gekomen om accordeons te gaan ontwerpen? Jullie waren met drie?
Ja, er waren ook nog Bernard Van Der Heyden, maar vooral Guido Houben, die zich bezig hield met alles wat met hout te maken had. Guido is eigenlijk een oudleerling van mij. Hij is begonnen met chromatisch accordeon , en is zich pas later gaan interesseren in het diatonische. Hij is een echte perfectionist. Op een bepaald moment is dan de idee ontstaan om een instrument te ontwerpen, specifiek voor het traditioneel Waalse repertoire. Zowel Bernard als ik maken deel uit de groep ‘Rue Du Village’, die werd opgericht in 1974, en in de beginfase voornamelijk dansmuziek bracht. We speelden geen concerten, maar wel ‘soirées dansantes’ of ‘bals folk’, echt met de idee om te dansen. In het begin speelde ik op een chromatisch accordeon, wat ik trouwens nog steeds doe, maar later stapte ik over op een diatonisch instrument, een Oost-Duitse kopie van een Hohner. Ook het repertoire veranderde. In afwachting van het opbouwen van een eigen Waals repertoire, speelden we Engelse, Schotse en Franse dans muziek. Maar meer en meer specialiseerden we ons in het Waalse genre, omdat we vonden dat er zeer waardevolle dingen in zaten. Het Waalse repertoire was op dat ogenblik een vrij onontgonnen domein. In een nog later stadium zijn we ons stilaan ook gaan toeleggen op concerten. Het komende jaar bijvoorbeeld, trekken we door Vlaanderen met een volledig Waals repertoire.

Is er dan op muzikaal gebied een groot verschil tussen de Waalse en de Vlaamse traditionele muziek?
Ja. Enfin, het hangt ervan af over welke muziek men het juist heeft. Voor het 19de eeuwse genre, het genre ‘bal champêtre’, is er niet echt een Vlaamse of een Waalse kleur. We hebben gezien dat notitieboekjes van oude muzikanten uit Vlaanderen (via Hubert Boone) en van hier in Wallonië, mekaar op muzikaal gebied zeer nauw benaderen. Maar het is anders wanneer we verder terug gaan in de tijd tot bvb de 18de eeuw. Dan zijn er toch wel degelijk typische Waalse kenmerken te bespeuren. Er zijn natuurlijk dansen die men zowat overal tegen komt. Er zijn melodieën die we in vrijwel identieke vorm terugvinden in Engeland, Zweden en hier. Natuurlijk elk op hun eigen manier geïnterpreteerd. Het is niet evident om de verschillen tussen het Vlaamse en Waalse genre uit te leggen. Je moet beide stijlen al zeer goed kennen. Zelf ken ik het Vlaamse genre niet zo goed, maar wat bijvoorbeeld al zeer frappant is, is de aanwezigheid van de viool in Wallonië. De meeste melodieën die we in deze streken terug vonden komen uit notitieboekjes van violisten.

Hoe geraken jullie aan zulke bronnen? Als je spreekt over een notitieboekje dan denk ik aan iets wat ergens op een zolder verloren ligt in een stoffige schuif.
Ja, dat is ook zo. Er is hier in Wallonië in de jaren zeventig een manuscript opgedoken van een violist die verschillende honderden melodietjes had opgeschreven, dikwijls bewerkt voor twee violen. Het probleem is dat die boekjes dikwijls bij ‘specialisten’ belanden die de bron niet willen verspreiden. Ze willen er eerst zelf een paar publicaties over schrijven eer ze het vrijgeven. Bij ons is Bernard eigenlijk de archivaris, die op zoek gaat naar documenten. Hij spendeert zijn tijd aan het doorzoeken van documenten, facsimile’s. Maar we hebben ook geluidsopnamen als bronnen. In de jaren zeventig hebben we nog vrij veel bandopnames van oude muzikanten kunnen maken. Voor wat betreft de muziek voor de dansavonden, konden we terecht bij notities van muzikanten van de fanfares hier in de buurt. Die zijn vrij makkelijk over te zetten naar onze bezetting, waarbij de pistonpartij wordt gespeeld door de viool, de trombonepartij door de altviool en de tuba vervangen wordt door de contrabas.

Heeft de aanwezigheid van de viool ook een weerslag op de gebruikte toonaard van de diatonische accordeon? Er is mij verteld dat een toonaard van D makkelijker te spelen is voor violisten, en dus frequent voorkomt op diatonische accordeons.
Dat Klopt. Het is zo dat op dit ogenblik de meest gevraagde toonaard voor diatonische accordeons een G/C is. Maar dat is niet noodzakelijk interessanter dan andere toonaarden.

Ik dacht dat de G/C meer courant was in België en Frankrijk, terwijl je in Nederland vaker een C/F vindt.
En de D/G in Engeland. Maar ik denk dat dat eerder een gevolg is van de heropleving van de folk en de invloed van sommige artiesten. Je hebt in die periode mensen als Marc Peronne gehad, die als cursisten naar hier kwamen, en zij speelden op een G/C. Vele leerlingen vonden dat een gelijkaardig instrument makkelijker was, en dus werd die toonaard populairder.

Zijn er dan geen historische gronden voor het toekennen van bepaalde toonaarden aan specifieke geografische gebieden?
Neen. Toen ik vele oude instrumenten analyseerde ben ik een heel gamma aan verschillende toonaarden tegengekomen. Er zaten er zelfs een paar heel bizarre tussen, van het type Bes/Es, om samenspel met een klarinet of een koperblazer makkelijker te maken. Zo zijn er ook heel wat A/D instrumenten. Ik speel bijvoorbeeld op een G/C en een A/D instrument. We spelen veel in G, A en D, omdat we veel met violen samen spelen. Onze basis samenstelling is een diatonisch accordeon, twee violen en een contrabas. We gebruiken ook oudere instrumenten zoals een doedelzak, maar de basis wordt gevormd door de violen.

Hoe zat het dan in de tijd voor de revival? Hadden de muzikanten eigenlijk wel genoeg geld om zich meerdere instrumenten aan te schaffen met al die verschillende toonaarden?
Niet echt, maar ik heb wel een andere oplossing gezien. Het binnenste van de accordeon is eigenlijk een harmonica, het gedeelte met de lamellen. Ik heb ooit oude accordeons onderzocht die in een bepaalde toonaard waren gestemd. In de bijbehorende doos zat een bergruimte met 2 of 4 extra blokken in andere toonaarden gestemd, en die makkelijk in het instrument konden worden vervangen.

Een beetje zoals de blues harmonicaspelers of accordeonisten uit Zuid-Amerika, die permanent van instrument veranderen.
Ja, en ik doe dat zelf ook. Bij Rue Du Village verwissel ik permanent mijn twee instrumenten.Ja, en ik doe dat zelf ook. Bij Rue Du Village verwissel ik permanent mijn twee instrumenten.

Zijn beide instrumenten door Houben gemaakt?
Ja. Mijn G/C is het prototype en mijn A/D is het nummer 1 in de serie.Ja. Mijn G/C is het prototype en mijn A/D is het nummer 1 in de serie.

Hoeveel instrumenten hebben jullie gemaakt?
Ongeveer een vijftiental.

Niet meer? Dus je weet ongeveer waar alle instrumenten beland zijn?
Van de meeste weet ik inderdaad waar ze zijn. Een aantal zijn bij leerlingen aanbeland, er is er eentje in het bezit van de accordeonist van Wannes Van De Velde, en eentje zit bij Rik Boone, …

Ik heb een jaar geleden in Brussel een groepje straatmuzikanten gezien met een juffrouw die op één van jullie instrumenten speelde, tezamen met een doedelzak en een gitaar of viool.
Ja, die dame is een van mijn leerlingen.

Hebben jullie een studie uitgevoerd van oude instrumenten vooraleer jullie begonnen met het bouwen?
In de beginfase waren er verschillende ideeën. We wilden eerst een instrument dat niet op kracht was gebouwd, maar wel op klanktimbre, omdat we het samenspel met violen beoogden. Een te luide klank was dus niet gewenst.. Bovendien werd het een instrument in G/C omdat we violen wilden nabootsen, voornamelijk speeltechnisch. We wilden het gebruik van twee snaren nabootsten, in het bijzonder de open snaar, door gebruik te maken van twee noten waarvan er één aangehouden wordt. Daarom wilden we een hele zachte klank, met een minimum aan zwevingen. Het werd een instrument met twee lamellen, die quasi gelijk gestemd werden. Je krijgt op die manier wel een hele fragiele klank. Omdat je de twee lamellen quasi gelijk stemt, zal de minste ontstemming onmiddellijk opvallen. Maar het zijn lamellen van zeer goede kwaliteit, en wanneer ze ook nog professioneel worden geplaatst vallen de problemen vrij goed mee.

Hebben jullie zelf de lamellen gemaakt?
Neen, die komen uit Italië. Guido Houben is toen naar Italië getrokken en heeft lamellen gekocht van zowat alle beschikbare fabrikanten. In die tijd was vooral Binchi in trek, omdat die door Castagnari werden gebruikt. Toen hebben we echter al Antonelli ontdekt, die tegenwoordig door Castagnari worden gebruikt.

Maken jullie nu nog instrumenten?
Neen. Voornamelijk omdat Guido andere interesse gebieden is gevolgd. Er is een jaar of twee geleden aan gedacht om een nieuwe serie te maken, omdat de vraag naar het instrument zeer groot was geworden. Maar dat is toen niet doorgegaan. Bovendien zouden de instrumenten totaal onbetaalbaar zijn indien we de werkelijke kosten ervan zouden doorrekenen.

Hoeveel tijd neemt het om zo’n instrument te bouwen?
Onmogelijk te schatten…Eigenlijk is dit een knettergek project, pure passie. We verkochten de instrumenten toen voor ongeveer dezelfde prijs als een Castagnari, maar als we zouden uitrekenen hoeveel we eraan verdiend hebben dan zou het misschien 10 frank per uur zijn. Maar we hadden het plezier om het instrument te maken. Eigenaars van zo’n instrument bezitten werkelijk een uniek werkstuk!

Wie zorgt er op dit moment voor de dienst na verkoop?
Het interne van de instrumenten (de lamellen, het stemmen ) verzorg ik zelf. De rest doet Guido.

Is er vanuit het buitenland ooit interesse getoond voor jullie instrumenten?
Eén van de instrumenten is gemaakt voor een Oostenrijker, die op dat moment in deze contreien rondtoerde. Het was een afwijkend instrument. Ons basismodel was een tweeënhalf rijer met dertien bassen.

Dertien?
Twaalf plus een extra bas die een halve toon speelt. Die Oostenrijker vroeg een volwaardige drierijer.

Zijn de andere instrumenten in de serie allemaal identiek?
In principe wel, maar er zijn wel een paar verschillen. Ik heb bijvoorbeeld 6 toetsen op de derde rij, terwijl de meeste anderen er slechts 5 hebben. We hebben bijvoorbeeld ook twee lepelbassers gemaakt.
Met een 2-rijer en 8 bassen kan je in 2 grote toonaarden spelen, en 1 mineur. Bij onze instrumenten, die ongeveer overeenkomen met een Castagnari Donny, kan je, weliswaar niet volledig, in 4 grote toonaarden spelen en twee mineur. Dit is voornamelijk belangrijk voor het repertoire van het Bal Champêtre waar er in 1 stuk twee modulaties zijn : C, het tweede gedeelte in G en trio in F. Op de rechterkant hebben we 5 extra toetsen die de halve tonen bevatten, of eventueel nog een zesde die een gewone toon bevat die anders niet trekkend of duwend beschikbaar is. De vijfde toets van de binnenrij levert trekkend en duwend dezelfde toon, in het geval van een G/C is dat een G. Dit is geïnspireerd op de Oostenrijkse en Zwitserse modellen. De A die op die manier verdwijnt wordt dan opgevangen door die op de 3 de rij te plaatsen.

Wat met de 4 extra bassen, wanneer je een 12 basser hebt ? Ik heb op mijn Castagnari extra bassen die mij niet echt goed uitkomen. Ik mis enkele mineur akkoorden.
Op mijn instrument heb ik twee mineur akkoorden, maar de anderen hebben er drie. Bij Castagnari weet ik niet goed vanwaar de inspiratie komt voor die extra 4 bassen. Het is alsof ze kijken wat er in de schuif nog overblijft en er dat dan maar bij stoppen. Ik zag reeds instrumenten met 4 extra bassen die geen enkele betekenis hebben. Op deze G/C heb ik de 4 ‘normale ’ bassen: GC, FF, GD en AsE en als extra heb ik EsB en DesA. Je moet volgens mij steeds proberen om zoveel mogelijke volledige sets van de drie graden te hebben bv As, Es en D.
Iets waar ik zeer afwijzend tegenover sta is de tendens bij bepaalde bouwers om akkoorden te gaan neutraliseren, door er de tertsen uit te halen. Iets wat door een Fransman werd geïntroduceerd. Dit laat toe om in nog meer toonaarden te gaan spelen, maar door het verwijderen van de tertsen speel je akkoorden die noch groot, nog klein zijn. Het spijt me, maar ik vind dat zondigen tegen het principe van een accordeon. Ik wil dat verschil tussen grote en kleine toonaarden duidelijk kunnen horen (speelt demonstratief een groot en een klein akkoord).

Is het uitbreiden van instrumenten met de halve derde rij niet tegenstrijdig met het diatonisch karakter?
Tja, je kan tegenwoordig op bijna elk diatonisch instrument chromatisch spelen, van zodra je twee of drie extra toetsen hebt. Anderzijds kan je op een chromatisch instrument diatonisch spelen. Die terminologie is een beetje verwarrend. Daarom ben ik eerder voorstander van de Franse terminologie waar men hoe langer hoe meer spreekt over bisonore en unisonore instrumenten. Het is accurater, het laat geen twijfel over de muzikale eigenschappen van het instrument.

Hebben jullie ook met verschillende houtsoorten geë xperimenteerd?
We wilden een instrument dat niet uit gelaagd hout bestond, maar uit vol hout, maar dan wel dun gesneden. Maar we hebben inderdaad verschillende houtsoorten gebruikt. Onder meer hout van Europese fruitbomen, van Braziliaanse notelaar, … Het instrument van die collega is in pruimelaar.

Wat met de blaasbalg? Hebben jullie die ook zelf gemaakt ?
In het begin wel. De twee prototypes hebben een blaasbalg die door Bernard werd vervaardigd, maar dat was eigenlijk gekkenwerk . Voor de serie die we maakten hebben we blaasbalgen in Italië gekocht, en die hier bijgewerkt. We hebben ze voorzien van een laagje leder. Dat leder werd aangebracht door een boekbinder, een vriend van Guido.

Zijn jullie dan niet eerder monteurs dan bouwers?
Neen, absoluut niet. Enkel de lamellen en de blaasbalg werden gekocht, al de rest werd door ons vervaardigd, dus ook de gehele mechaniek. Je mag niet vergeten dat de meeste bouwers van instrumenten, zelfs Castagnari, werken met derden voor bepaalde onderdelen van hun instrumenten. Aan de Adriatische kust in Italië, het mekka voor de accordeonbouwers, zijn er fabrikanten die enkel lamellen maken, of enkel blaasblagen, of enkel toetsen. Er zijn er tientallen die lamellen bouwen. En er zijn zelfs supermarkten waar je met je wagentje langs rekken wandelt en er gewoon de onderdelen koopt. Dit gebeurt vaker dan je denkt. De zogenaamde Vlaamse instrumenten van Callewaert bijvoorbeeld werden hier enkel gemonteerd… Zij bouwden alleen de doos, al de rest, zelfs de mechaniek, kwam uit Duitsland.

Waarin schuilt dan het verschil tussen al deze instrumenten? Wat maakt jullie reeks zo uniek?
Wij zijn vertrokken van een studie van het Zwitserse type diatonische accordeon, de Schweizer Orgeli, meestal een 2- of 3-rijer, die een vierkante vorm heeft. Het eerste prototype van onze instrumenten had nog deze vierkante vorm. Deze vierkante vorm zou, net zoals bij de bandoneon, een betere resonantie geven.

Is dat iets wat berekend is? De verhouding tussen de hoogte en de diepte van het instrument?
Ja. Maar natuurlijk is het voornaamste aspect de kwaliteit van de lamellen. De Antonelli’s die wij gebruikten zijn met de hand gemaakt (a mano) en gemonteerd op een kader van een legering van messing (otone ). Dat kader is ook van zeer groot belang. Dat maakt onder andere de kwaliteit van de Duitse accordeons, die een kader gebruikten van grijs lood. Het gewicht van die kaders bepaalt de resonantie. Lood maakt je instrumenten natuurlijk wel heel zwaar. Je moet dus een compromis zoeken tussen het gewicht en de kwaliteit. Onze instrumenten zijn vrij zwaar vergeleken met bijvoorbeeld een Castagnari.

Hoe dikwijls moeten de instrumenten herstemd worden?
Dat hangt een beetje af van het gebruik. Voor iemand die zijn instrument in zijn woonkamer bespeelt, en het niet buitenshuis meeneemt, is eens om de drie jaar voldoende. De anderen hebben ieder jaar een stembeurt nodig.

Het stemmen gebeurt door de lamellen te vijlen. Heeft dat geen nefaste effecten op langere termijn? Ik weet dat bij oude Alfred Arnold bandoneons de prijs van het instrument erg afhankelijk is van het aantal stembeurten dat het instrument heeft ondergaan.
Het heeft inderdaad grote effecten. Voor de hoge tonen vijlen we aan het uiteinde om de toon de verhogen, en in het midden om het weer te verlagen. Voor de lage tonen kan men bovendien de verzwaring aan het uiteinde bijwerken door metaal toe te voegen, maar dat kan enkel in de fabriek van de maker. Die verzwaring is nodig omdat de lamellen anders te lang worden. Men kan dat vijlen geen vijftig keer herhalen. En als het bovendien niet op de juiste manier wordt uitgevoerd dan kunnen enkele stembeurten al nefast zijn.

Waarom spelen jullie met een duimriem en niet met bretellen? Uiteindelijk ben je toch meer flexibel wanneer je gebruik kan maken van de duim?
Ik heb het geleerd toen ik leerde spelen op een chromatisch accordeon. Je hebt eigenlijk twee scholen. De ene zweert bij het spelen zonder duim, de andere met. De laatste jaren zie je echter minder gebruik van de duim. Je kunt in 95% van de gevallen steeds vingerzettingen gebruiken waardoor je de duim niet nodig hebt.

Is er ook in België een heropleving aan de gang van het diatonisch accordeon?
Jazeker, en niet alleen van het diatonische accordeon, ook van het chromatische. Je hoort trouwens terug meer en meer accordeon op de radio, zelfs in rockmuziek, jazz en klassiek. Ik heb nog accordeon geleerd in de jaren ’60. Op dat ogenblik durfde ik op school tegen de medeleerlingen niet zeggen dat ik accordeon leerde… Dat was zowat het meest onhippe instrument dat je kon bedenken!

Welke van de accordeons die nu in serie worden gemaakt (Castagnari, Saltarelle, …) vind u de beste?
Zeer zeker Castagnari. Zij hebben ook een zeer goede reputatie. Er zijn natuurlijk nog betere instrumenten. In Frankrijk heb je bijvoorbeeld Gaillard, die enkele zeer goede instrumenten heeft. Ik heb onlangs Joe Burke horen spelen op een Gaillard, en dat is toch wel een zeer goed instrument. Er is natuurlijk wel de hele lange wachttijd en de prijzen zijn ook niet mals.

Leent een diatonisch accordeon zich ook tot het spelen van speciale effecten, zoals bijvoorbeeld op een gitaar?
Zeer weinig. Er zijn spelers die door het gebruik van de blaasbalg een zeer eigen stijl hebben ontwikkeld zoals bijvoorbeeld Bruno Le Tron. Maar het is hierbij dus niet het timbre dat verandert, maar de " ademtechniek" van de blaasbalg, de ritmiek.Zeer weinig. Er zijn spelers die door het gebruik van de blaasbalg een zeer eigen stijl hebben ontwikkeld zoals bijvoorbeeld Bruno Le Tron. Maar het is hierbij dus niet het timbre dat verandert, maar de ‘ademtechniek’ van de blaasbalg, de ritmiek.

Wat met het tremolo effect dat je bekomt door het accordeon zachtjes te schudden of tengevolge van bevende handen bij nerveuze muzikanten…?
Ja, dat is een effect dat wel eens wordt gebruikt, maar niet echt veel. Ik heb wel eens een oude accordeon gezien, ik dacht van Duitse makelij, die als opschrift had ‘tremolo spéciale’. Binnenin zat een ruimte die de lucht opving. Een beetje zoals de casotto bij Castagnari, wat zorgt voor een rondere klant. In het Duitse instrument zat aan de toegang van de luchttoevoer naar die ruimte, een loden klep, die in beide richtingen kon bewegen. Wanneer de tremulant werd aangezet zorgde die klep voor een vibrerende toon.

Heeft u er nooit aan gedacht om een CD uit te brengen met enkel solo diatonisch accordeon? Het is iets wat me als beginnend speler ontbrak. Ik vond solo opnamen van Franse, Engelse, Nederlandse spelers, maar blijkbaar is er geen enkele Belgische.
Neen. Ik heb wel eens een enkele solo opname gemaakt voor de CD van Hubert Boone.

Is er een voldoende vraag voor optredens in het circuit ?
In de jaren zeventig, tijdens de folkrevival, wel. Toen hadden we heel veel optredens, zowel in Vlaanderen als in Wallonië, tot drie per weekend. Op dit ogenblik is er vooral een gebrek aan ruimtes om te spelen . In de jaren zeventig waren er de folkclubs, en hier in Wallonië de jeugdhuizen. We hadden hier in het jeugdhuis van het dorp een volledig programma met folk muziek van overal. We hebben in die tijd veel opgetreden met bijvoorbeeld de Nieuwe Snaar. Dat was oorspronkelijk een folkgroep. Die bestond toen uit de gebroeders Jan en Kris De Smet, Stef Koekoeks, die nu in verschillende Vlaamse groepjes speelt, en Van Den Broeck. Zij speelden toen eerst hun programma, wij volgden dan met een bal.

Is het accordeonspelen voor u een vrijetijdsbesteding of is het een professionele bezigheid.
Het is mijn beroep. Sinds een 15-tal jaar speel ik, net zoals de Nieuwe Snaar, veel in theater. Op het einde van de jaren zeventig – begin jaren tachtig, speelde ik met mijn vrouw op straat. Daar hebben we een paar mensen ontmoet met wie we ‘le Cirque du Trottoir’ hebben gestart. Dat is een straatcircus, met muzikanten, acrobaten, … We spelen ook nog in een paar andere groepjes.

Op het einde van het gesprek laat Louis ons nog een deel van zijn accordeon verzameling zien. In een andere kamer staat een vitrinekast met daarin enkele zeer oude instrumenten waaronder een kleine bandoneon, één van de eerste pianoaccordeons, een 12-lepelbasser van Callewaert, een Soprani (Italiaans model – 3 rijer G/C/B met diatonische rechterkant en chromatische baskant), een instrument dat werd gemaakt in de begin periode van de musette en twee Duitse instrumenten. In een andere kamer staat er ook nog een voetbasser. Alle instrumenten zijn volledig en moeten na restauratie terug bespeelbaar zijn.

Tot slot melden we nog dat er binnenkort weer beweging komt in de Belgische accordeonbouw. Er is nog een project lopende waarbij weer instrumenten zullen worden gebouwd, dit maal door een Luikenaar. Louis Spagna liet ons een prototype zien van het nieuwe instrument dat binnen enkele maanden zal verkrijgbaar zijn. Het instrument is volgens het klassieke concept gebouwd, met dit verschil dat de gebruikte houtsoort ongewoon is, en bijgevolg het instrument een speciaal uitzicht geeft. Zodra de gelegenheid zich voordoet zullen we ook met deze bouwer een gesprek voeren en het resultaat in de vorm van een artikeltje gieten.
 

(*) Met dank aan Serge Devadder voor het helpen overbruggen van linguïstieke barrières.

Steun De Harmonicahoek Terug   > Home     > Nieuws       > Nieuws uit 2020         > IM Louis Spagna           > Interview 1998 Hulp nodig als beginner?
Bericht van een van onzer sponsors op Facebook:
> Zweverink Muziek.

Google Analytics Alternative