KLANK
1ste kwartaal 2011
door Eduard Bekker

Toonladderzat

Tijdens mijn lagere schooltijd hadden wij het voorrecht van zangles. Die werd gegeven door een zure Drent, die aan het begin van de les een stuk textiel met een lege notenbalk voor het schoolbord spande. De bedoeling was dat wij dan de muziek van een zonet gezongen deun met viltjes van een vroeg soort klittenband op de notenbalk invulden.

Dat is bij mij mislukt. Do-re-mi-fa-so is er bij mij toch wel goed ingestampt, evenals het verschil tussen hele, halve en kwartnoten, maar daar is het bij gebleven.

Toch heb ik geen slechte herinneringen aan de les: we kregen regelmatig volksdeuntjes te zingen, waarvan de Reuzendans (‘Als de avondklokke luidt, de klokke luidt, de reuze komt uit’) mij nog wel het meest is bijgebleven.

Pas op gitaarles heb ik de notenbalk onder de knie gekregen, maar ik blijf met een niet van jaloezie gespeende blik kijken naar iemand die relaxed een melodie vanaf een notenbalk na zit te fluiten. En het spelen van een deun direct vanaf de balk zonder nummering wil ook niet erg lukken: ik zal altijd de knoppen erbij moeten zoeken met hulp van computer of tabel.

Kennis van het notenschrift is echter geen vereiste om een goed muzikant te zijn: originele wereldmuziek bijvoorbeeld wordt niet gecomponeerd, maar direct op het instrument ingestudeerd en vervolgens van generatie op generatie doorgegeven, wat de grote variatie in de versies van deze melodieën verklaart.
Dat we nu weten hoe de Boerenlietjes en Contredansen klinken, komt puur en alleen omdat iemand met kennis van notenschrift een paar honderd jaar geleden zo slim is geweest om deze oerdeunen op te tekenen. Zo zijn we Jakob Pieters Beukema en Andries Kiers ook veel dank verschuldigd. Die tekenden in de loop van de 19de eeuw ook de nodige traditionele muziek op.

Kortom: notenschrift is belangrijk, tenzij je volkomen op het gehoor kunt spelen of meteen zelf op het gevoel kunt componeren. Mijn leerlingen - meestal 50+ en ongeschoold - breng ik het dan ook zo goed en zo kwaad mogelijk bij. Niet dat ze blindelings weten welke knop bij welke noot op de balk hoort, maar al gauw kun je leren zien of een deun ‘omhoog’ of ‘omlaag’ gaat, wat de maat is en of hij snel of langzaam gaat.

Waar ik me echter over verbaas, is dat zelfs deze generatie soms van het simpelste fundament van de westerse muziek niet op de hoogte is: de toonladder. Do re mi fa so? Nog nooit van gehoord!
Het geeft wel aan hoe weinig waarde er aan fatsoenlijk muziekonderwijs als basisbehoefte is toegekend.
Grappig genoeg heb ik me er jarenlang nooit met de leerlingen in verdiept, tot eentje vroeg (nadat ze na een jaar al vlekkeloos musiceerde uit Joop van Doorn) hoe je nu eigenlijk een toonladder speelt.

Kortom: zelfs kennis van de toonladder blijkt niet per sé noodzakelijk te zijn, alhoewel ik hem nu toch zekerheidshalve maar aan het basispakket heb toegevoegd.
Maar drastige toonladderoefeningen zal ik nooit opgeven. Ik moet er niet aan denken dat mijn pupillen daardoor ‘toonladderzat’ worden en de harmonica daardoor ook - zij het onterecht - verder links laten liggen.

Steun De Harmonicahoek Terug   > Home     > Archief       > Haagse Tongen         > 2011           > 1ste kwartaal
Bericht van een van onzer sponsors op Facebook:
Zweverink Muziek.

Artikelselectie 2011


Google Analytics Alternative