Toch moest ik er nog door en leerling op worden gewezen: op de Oost-Duitse trekharmonicabouwer Kay Albrecht. Ooit in de leer geweest bij de bouwers in Klingental en nu zelfstandig bouwer van trekharmonica’s. Die trekkasten zijn van een opmerkelijk ontwerp – wat zeg ik – design.
Toen mijn leerling er op wees, heb ik meteen op mijn Mac gegoogeld of er al een keer aandacht aan hem was besteed door het Diatonisch Nieuwsblad. Dat bleek niet zo te zijn, maar tot mijn verbazing trof ik een korte e-mail uitwisseling aan van eind vorig jaar. Kay Albrecht wilde iets weten over een lepelbasser waarop hij was gestuit. Blijkbaar was ik het hele gesprek alweer vergeten.
Dat is opmerkelijk, want vergeten daar was zeker geen reden voor. Hoe hij te werk gaat, mag zeker opmerkelijk worden genoemd. Hij vaart een eigen koers. Dat betreft niet alleen geheel nieuwe exemplaren. Zo schuwt hij het ook niet om een Hohner tweerijer om te katten tot een chiquer exemplaar. Dat kan een oudere Hohner Erika zijn, maar ook een andere tweerijer van dat merk.
Veel werk (en ook video vind je op zijn website en vooral op zijn Facebook-pagina)
Met prachtige ontwerpen verdienen Kay wat mij betreft de titel
‘De Manufactum van de trekharmonicabouw’.
Een demonstratie van Kay op een eikenhouten eenrijer met vier bassen en drie registers (let op het knoppendesign). Opmerkelijk veel aandacht besteedt de bouwer aan deze afwijkende instrumenten, die geen relatie hebben met de bekende Canadese en Cajun-exmplaren.
Een mazurka van Stephane Delicq, gespeeld op een Hohner Liliput in G/C, gerestaureerd en omgebouwd door Kay Albrecht.
Volgens mij is dit politoeren. Dat is een techbniek waarmee Karel van der Leeuw ook vertrouwd is (vanaf 25 seconden).
Lofzang op een in opdracht gemaakte walnotenhouten tweerijer van Kay Albrecht door John Spiers.