Speelman Cees Hek van Terschelling

‘Ik ben me er eentje’

Een speelman wil hij zijn, liever dan muzikant of harmonicaspeler. Speelman, dat vond zijn vrouw Jette ook een mooie naam voor hem. Terschellinger Cees Hek werd 23 juli negentig jaar, maar bespeelt zijn instrument nog als een jonge kerel. “Fleurig! Fleurig! Het moet fleurig zijn.”

zaterdag 14 augustus 2004
Leeuwarder Courant
door Kirsten van Santen

Met enige moeite tilt hij de harmonica op schoot. Zijn vingers, dik en knokig van de reuma, friemelen zich door de leren bandjes en vinden de witte knopjes. Ineens trilt het kleine boerderijtje in Hee op zijn grondvesten. Terschellinger Cees Hek, negentig jaar, deint mee op de deuntjes. Zijn ogen tranen, niet van blijdschap of van verdriet, maar gewoon van ouderdom. Hij houdt niet meer op, gaat maar door, rijgt de melodieen aaneen. “Zonder muziek had ik het niet zover gebracht.”

“Ik ben een wonderlijke kerel hoor. Vroeger speelde ik vaak in De Rustende Jager in Formerum. Prachtige avonden waren dat. Een keer kreeg ik na afloop van het optreden een briefje van ƒ 100,– toegestopt. Dat deed ik mijn borstzak, want een portefeuille heb ik nooit gehad.
Toen ik later op de avond bij mijn vrouw op de bank zat, haalde ik het briefje ineens tevoorschijn. Ze geloofde haar ogen niet. “Is dat wel goed’ vroeg ze.

“Ik zou graag eens op televisie willen spelen, oude en nieuwe liedjes. Laatst heb ik in hotel Europa gespeeld, voor oude mensen. Ook heb ik eens voor vijftig Amerikanen in de pizzeria opgetreden. Mensen zijn wel eens verbaasd, maar vijftig Amerikanen? Dat doet me echt niets. Al zouden het Russen wezen: met mij erbij zou het toch een fleurige avond worden.”

Droevige tijden

“De harmonica heeft me overal doorheen geholpen, ook door droevige tijden. Zelfs toen mijn dochter op haar 49ste overleed, heeft de muziek me er doorheen gesleept, dat kan ik verder ook niet uitleggen.”

“Ik ben een speelman. Een speelman! Gezellig en vrolijk leven, daar ben ik oud van geworden. Oh, we hebben zo mooi samen gezongen, mijn vrouw en ik. Of samen met buurman Hessel. Narigheid is er altijd wel, die moet je maar zo snel mogelijk vergeten. Niet piekeren, maar lachen.”

Ik was 26 toen ik met Jette trouwde. We zijn 57 Jaar bij elkaar geweest en kregen vier dochters. Jette groeide op hij haar grootouders: haar moeder was al vroeg overleden en haar vader was op zee. Ze was dienstmeisje bij nette mensen in het dorp. Op een avond stond ik samen met een vriend met haar buiten. We wilden haar allebei wegbrengen en hebben lucifer getrokken om uit te maken wie met haar mee mocht. Ik was de gelukkige. Tja, en van het een komt het ander.”
“Later, en dat heb ik echt nog niet aan veel mensen verteld, heeft Jette mij gezegd dat ze sowieso met mij was meegegaan; ook al had ik de kortste lucifer gehad.’

“Er zijn wel moeilijke tijden geweest, daar niet van. Die komen in het beste huwelijk voor. Na de oorlog hadden we een hoop troubles. Ze was, ze was, tja.., overspannen. Zei gekke dingen, kon het allemaal niet meer aan, overzag het leven niet meer. Ik nam afstand, wist niet goed wat ik ermee aan moest. Een vriend raadde me aan om haar naar Franeker te sturen. Ze is twee weken weggeweest. Ze had van die elektrische schokken gekregen. Ze zei dat ze zich nooit zo goed had gevoeld.”

“Een keer was ze zo kwaad op me, dat ze er op de fiets vandoor ging, naar onze schoonzoon. Stel je voor, ze liet me zomaar achter! Woedend was ik, en dat ben ik niet vaak. Ik heb de schoonzoon opgebeld en gezegd dat ze onmiddellijk thuis moest komen, omdat ik anders alles in de brand zou steken
Toen kwam ze. Misschien is het goed geweest om eens zo op te treden. Ze is daarna niet meer weggegaan. Ach, narigheid komt toch meestentijds van niets.”

“Ze is zeven jaar geleden overleden. 1k mis haar, maar ze is bij me. Er hangen foto’s in de woonkamer, de slaapkamer en in de keuken. Een long functioneerde niet meer. Ze lag met haar mond open naar lucht te happen. Toen dacht ik ‘Ga maar, meisje, je kan nu gaan.’”

Theemelk

“Als je ziek bent, kan je een borrel drinken, maar wat nog beter hielp was Jette’s theemelk.
Geen idee hoe je dat maakt Warme melk met een schep thee in, lijkt me. Of twee.”

“Ik speel, ik fiets en loop nog als een kievit, maar een ding mocht ik van Jette niet meer doen: traplopen. Dus dat doe ik ook niet. Ach, wat moet een man zonder vrouw? Een man heeft uiteindelijk toch leiding nodig.”

Ik ben opgegroeid in vrijheid: al met zes jaar mochten we de mestkar naar het land van de buurman rijden. Mijn vader werkte ’s winters bij Staatsbosbeheer en in de zomer als haringvisser. Mijn moeder was een lieve vrouw: van haar heb ik dat goedaardige.”

“Toen ik tien was, verhuisden we van Formerum naar Hee, naar De Kooi, waar mijn vader zetboer werd. Ik had vier broers en drie zussen; we hielpen bijna allemaal mee op de boerderij. Ik moest nog twee jaar naar school in Midsland. Verschrikkelijk vond ik dat, want ik wist al dat ik met alle geweld boer wilde worden.”

Camping

“Kort na de oorlog las mijn vader in de krant dat er een huisje in Hee te koop stond. Voor ƒ 2.250,–. Jette zag het meteen zitten, want het ging best goed bij mijn ouders in huis, maar op een gegeven moment wil je toch op jezelf. Ik werd ook zetboer. We begonnen met drie koeien, maar dat werden er al snel zes. Ook hadden we vijftien schapen en een paar varkens. Later konden we land kopen: daarop verbouwden we aardappelen en graan, op een ander stukje begonnen we een camping: De Riessen.”

“Van de camping kwam weinig terecht. Mijn vrouw maakte de toiletten schoon en ik haalde het afval op. Dertig, veertig tentjes in een zomer, meer was het niet. Maar ik betaalde de gemeente wel voor de gasten! Het kon allemaal net uit, maar rijk werden we er niet van. Die omzet is pas later gaan stijgen, toen ik ophield met boeren en het toerisme was opgekomen
Nu heeft mijn dochter Els de camping.”
“Vroeger was het allemaal heel anders op de camping. De mensen kenden mekaar nog. Dat is nu niet meer zo. Daarom kom ik er niet. En een potje volleyballen zit er ook niet meer in. Toen ik jong was, kwam ik daar in de avond en dan stonden we daar uren met elkaar te praten. Ik was vaak de laatste die overbleef. Ja, een echte kletskous was ik. En nog steeds wel, zeggen ze.”

Spaanse Griep

Als kind had ik de Spaanse Griep. Toen ben ik in koudwaterverband gewikkeld. Daarna ben ik gezond gebleven. Alleen op mijn 66ste ben ik weggeweest en twee jaar geleden nog een keer. De eerste keer bleek dat ik twee maagzweren had. Nooit wat van gemerkt, maar ik werd ineens niet goed. Gelukkig waren mijn longen goed. Een wonder, want ik heb veel gerookt. Ik weet nog hoe ik met hoge snelheid op de brancard door de gang zoefde, met een paar prachtige verpleegsters om me heen. Ik was er snel bovenop.”

“Twee jaar geleden kreeg ik een hartaanval. Het was tijdens de mkz-crisis. Ik heb me toen veel te druk gemaakt over al die onzin. Mijn schapen moesten in een piepklein hokje, vreselijk vond ik dat. Ik heb me opgewonden, snapte er niks van. De helikopter heeft me naar het ziekenhuis in Leeuwarden gebracht. Mijn kleinzoon zat onderweg bij me, maar daar wist ik naderhand niets meer van. Is dat niet vreemd?! Ik moest een tijd aan het infuus, voelde me net een vastgebonden paard.”

Beter zien

“Het is vreemd, maar ik ga steeds beter zien. Vanaf mijn vijftigste heb ik een bril gehad, maar inmiddels lees ik weer zonder! Alleen voor de televisie heb ik hem nog nodig. Mijn eerste bril kreeg ik van een maat. Die had een hele doos brillen gekocht en ik mocht er een uitkiezen. Later vertelde ik aan mensen dat hij heel bijzonder en duur was. Ja, ik ben een grapjas hoor.”

“Ik heb een sober leven gehad. Bij ons werd vroeger aan tafel niet opgeschept, maar uitgedeeld. We zijn met niets begonnen en hebben alles van de grond af aan opgebouwd. We gaven nooit iets uit en probeerden overal wat aan te verdienen. Kochten we vier varkens voor ƒ 35,–, dan verkochten we ze na een winter al voor ƒ 1.200. We zaten in een opgaande tijd, dat is zo, maar we hadden niets nodig: we verbouwden alles zelf. We hadden 15 hectare grond. Vijf hectare had ik destijds gekocht voor ƒ 10.000, een hoop geld, maar inmiddels is die grond veel meer waard.”

“Later hadden we veertien koeien. Vier jonge koetjes gaven samen een bus melk, drie koeien ook een bus en twee koeien ieder 30 liter. Ik heb ze altijd met de hand gemolken, samen met mijn neef.”
“Ik had een bang voorgevoel, durfde er tegenover mijn vrouw niet goed over te beginnen. Ik bedoel: zij was ook met niets begonnen. Maar op een dag zei Jette: ‘Cees, wordt het geen tijd om alles te verdelen?’ We hebben vier briefjes gemaakt: schrijf maar op wat jullie willen.
Els wilde de camping, Trijnie 5 hectare, Emmie het huis op West en Christien het land in Hee. Zo werd het mooi opgelost. Zelf hadden we niets meer nodig, mijn vrouw en ik. We hadden genoeg aan onze aow. Niets om ons zorgen over te maken.”

Niet bang

“Ik ben in het geheel niet bang voor de dood. Ach welnee, waarom? Mij hadden ze al lang een spuitje mogen geven. Dat heb ik ook wel eens geroepen. Als het stopt. stopt het. Meer is er niet. Het is net als bij beesten, na de laatste ademtocht is het over en uit. Ik heb nergens berouw van en ben nog steeds fleurig; ik pieker nergens meer over.”

“Het is net als met dat paardje dat nu nog bij mij voor het huis loopt. Daar heb ik een hoop aardigheid van gehad, maar hij is oud en je hebt er niets meer aan. Als hij dood gaat, zit ik met de kosten. Het ophalen van een lam kost al € 30! En een paard kan je niet zo makkelijk stiekem onder de grond douwen. Nee, die gaat mooi weg. Dan ben ik er van af.”

Steun De Harmonicahoek Terug   > Home     > Nieuwsarchief       > Nieuws uit 2004         > Speelman Cees Hek Hulp nodig als beginner?
Bericht van een van onzer sponsors op Facebook:
> Zweverink Muziek.

Google Analytics Alternative